Eerstelijnszorg veilig
Terug naar de homepage
Uit: Patiëntveiligheid in de Nederlandse eerstelijnszorg anno 2009
M. Harmsen, P. Giesen, L. Martijn, Th. Mettes, W. Verstappen, R. Nijhuis-van der Sanden, M. Wensing. Scientific Institute for Quality of Healthcare (IQ HealthCare), UMC St Radboud,
- December 2009 -
Voor de individuele patiënt in de eerste lijn toont het onderzoek aan dat de eerstelijnszorg veilig is. De kans op overlijden ten gevolge van contact met een zorgverlener in de eerste lijn lijkt te verwaarlozen klein, vermoedelijk nog veel lager dan 1 op 5.000 per jaar. Ook de kans op een incident met ernstige schade is erg klein.
De patiënt heeft een zeer kleine kans op een incident met ziekenhuisopname; vermoedelijk het hoogst in huisartspraktijken en het laagst in tandartspraktijken. Bij alle incidenten met ziekenhuisopname betrof het schade van voorbijgaande aard. Verder bestaat er een kleine kans op kleinere, voorbijgaande incidenten met voor de patiënt merkbare gevolgen: het laagst in tandartspraktijken en het hoogst in huisartspraktijken. Anderzijds is er in huisartspraktijken en huisartsposten een kleine kans op incidenten (deels onzichtbare voor de patiënt), met naar beoordeling waarschijnlijk ernstige gevolgen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan onderbehandeling bij diabetes of vasculaire aandoeningen. Deze deels ‘verborgen onveiligheid’ treft vermoedelijk vooral specifieke groepen patiënten, maar dit verdient nader onderzoek.
Desalniettemin betekenen deze lage risico’s dat er naar verwachting jaarlijks een substantieel aantal incidenten is. Anno 2009 heeft Nederland ongeveer 16,5 miljoen inwoners (bron: CBS, 2009). Een aanzienlijk deel hiervan aantal heeft jaarlijks één of meer contacten met zorgverleners in de eerstelijnszorg. Gezien de aard van het professioneel handelen lijkt de kans op ernstige gevolgen het grootst is in de huisartsenzorg.
Zie voor bijzonderheden en onderzoeksbeschrijving het volledige onderzoeksrapport: Patiëntveiligheid in de Nederlandse eerstelijnszorg anno 2009
NB:
Het onderzoek omvatte huisartspraktijken, huisartsenposten, tandartspraktijken, verloskundigenpraktijken en paramedische praktijken (fysiotherapie, ergotherapie en oefentherapie cesar/ mensendieck). Over andere beroepsgroepen in de eerstelijnszorg, zoals verpleegkundigen in de thuiszorg, openbare apothekers, logopedisten en eerstelijnspsychologen, kunnen dus geen conclusies worden getrokken.
Het dossieronderzoek had uiteraard de beperking dat alleen kan worden gevonden wat is genoteerd. Anders gezegd, het goed bijhouden van dossiers is een voorwaarde om incidenten te kunnen signaleren. Dit betekent dat de kans op onderschatting aanwezig is als de dossiervoering matig is.
Het rapport geeft voornamelijk beschrijvende statistiek, maar de lezer moet - zoals in elk epidemiologisch onderzoek - rekening houden met de (on-)nauwkeurigheid van de metingen. De ‘werkelijke’ aantallen incidenten kunnen door toevallige meetfouten enigszins lager of hoger zijn dan wij hebben gevonden.



